Webdesign: www.interstudio.nl
Copyright © SWV VO Berkelland. Alle rechten voorbehouden.



ZORG- EN ADVIES TEAMS
Minister Rouvoet en de staatssecretarissen van OCW Van Bijsterveldt en Dijksma hebben de Tweede Kamer een brief gestuurd over de ZAT’s. Deze brief gaat over hoe het kabinet de ontwikkeling van ZAT’s de komende jaren verder wil helpen, omdat uit de resultaten van de afgelopen jaren is gebleken dat hulp vanuit deze teams enorm dienstbaar kan zijn aan kinderen en jongeren die problemen hebben bij het opgroeien.
De bewindslieden zien mogelijkheden om de ZAT’s te stimuleren door inzichtelijk te maken op welke punten successen worden behaald en waar er eventueel nog een tandje kan worden bijgezet. Ze zetten in op een landelijk steunpunt waar professionals die samenwerken in de ZAT’s terecht kunnen met vragen over multidisciplinair werken. Samenwerken is echter niet vrijblijvend, daarom willen ze de samenwerking van onderwijs met jeugdzorg en veiligheid ook gaan borgen in de onderwijswetgeving.
In deze brief vindt u ook de visie van het kabinet op de manier waarop ZAT’s kunnen bijdragen aan de doelen die ze nastreven met de centra voor Jeugd en Gezin en de regierol van gemeenten in het jeugdbeleid. In de brief aan de Kamer over de voortgang van Passend onderwijs (juni 2008) wordt ingegaan op de wijze waarop ZAT's functioneren binnen de experimenten Passend onderwijs. De Kamer is recent geïnformeerd over de acties van het kabinet om samenwerking in de verzuimketen te verbeteren (brief “naar een integrale aanpak schoolverzuim”).
De afgelopen jaren zijn overal in Nederland Zorg- en Adviesteams ontstaan. Zorg- en adviesteams (ZAT’s) zijn teams waarin professionals die zorg en ondersteuning bieden aan jeugdigen en hun ouders, samenwerken met scholen om problemen van kinderen en jongeren op te lossen. We hebben het dan over bijvoorbeeld de jeugd(gezondheids-)zorg, het maatschappelijk werk, de leerplichtambtenaar, de politie en de zorgcoördinator van het onderwijs. De ZAT’s komen voort uit de praktijk, omdat daar de behoefte werd gevoeld kinderen en jongeren met problemen snel en goed hulp te kunnen bieden. Zorg- en Adviesteams bespreken regelmatig concrete situaties van jongeren, waardoor signalen snel en vakkundig beoordeeld worden en de juiste hulp of ondersteuning voor de jeugdige, de ouders en de docenten zo snel mogelijk wordt ingeschakeld. Ook spreken ze af wie eindverantwoordelijke is voor de zorg die nodig is.
ZAT’s zijn ontstaan om hulp in te schakelen die de docent niet kan leveren. De ZAT’s zijn in staat om snel signalen door te geven naar de juiste hulpverlener. De ZAT’s zorgen ervoor dat iedereen zijn vak kan uitoefenen en dat de verschillende hulp goed op elkaar aansluit: dat de maatschappelijk werker het indringende gesprek voert, dat de medewerker van de Jeugdgezondheidszorg kan inbrengen wat al over de geschiedenis van het kind/gezin bekend is vanuit het elektronisch kinddossier en hoe het probleem geduid kan worden ten opzichte van de normale ontwikkeling van het kind, dat de politieagent de jongere op het rechte pad kan houden, de leerplichtambtenaar kan ingrijpen als de jongere van school wegblijft en dat de docent zijn les kan geven. Zoals de commissie Dijsselbloem onlangs al zei: we kunnen en mogen het onderwijs niet opzadelen met het oplossen van alle maatschappelijke problemen.
Het voortgezet onderwijs streeft naar een ZAT per school. Momenteel bedient een doorsnee ZAT in het voortgezet onderwijs gemiddeld 717 leerlingen.
Het voortgezet onderwijs is koploper met het instellen van ZAT’s: bijna alle middelbare scholen hebben inmiddels een ZAT. In september 2007 is daarom gestart met een professionaliseringstraject in het VO, zodat de reeds functionerende ZAT’s zich verder kunnen ontwikkelen.
Relatie ZAT en CJG
De Centra voor Jeugd en Gezin en de ZAT’s vullen elkaar aan in hun streven om kinderen en jongeren snel en goed te helpen. Het CJG heeft meerdere functies. Het meest zichtbaar is het inlooploket. Ouders kunnen er met vragen over opgroeien en opvoeden terecht. Vaak zal dit op de plek zijn van het consultatiebureau. Daarnaast moet een CJG ook een inlooppunt bieden voor jongeren met vragen over opgroeien. Om jongeren ook echt te bereiken zullen dit soort loketten eerder in de wijk (het jongeren informatiepunt) of in scholen verschijnen of vooral via het internet te bereiken zijn. Een loket van het CJG kan dus gevestigd zijn in hetzelfde gebouw als een school.
Het woord CJG staat ook voor de bestuurlijke regie die de gemeente heeft op de samenwerking bij kinderen en jongeren met problemen. De gemeente stuurt op de efficiëntie van één gezin, één plan en één casusoverleg en dient ervoor te zorgen dat er altijd één eindverantwoordelijke is voor een kind en/of een gezin. De samenwerking wordt in het wetsvoorstel CJG en de regierol van gemeenten op het jeugdbeleid verder uitgewerkt. In de praktijk verwachten we dat voor problemen van kinderen tot vier jaar zal worden samengewerkt in multidisciplinaire teams met het CJG als middelpunt, waarbij kinderopvang en peuterspeelzalen een belangrijke signalerende rol hebben. Samenwerking voor problemen van kinderen in de schoolgaande leeftijd is het meest logisch in ZAT’s rondom het onderwijs. Professionals van het CJG (maatschappelijk werk en de jeugdgezondheidszorg) nemen deel aan de besprekingen van het ZAT. De keuze voor een casusoverleg is afhankelijk van leeftijd, de problemen en de ‘vindplaats’ van het kind of de jongere.
Daar waar voor jonge kinderen -en hun ouders- een wijkgerichte aanpak en een laagdrempelig loket waarschijnlijk prima zal werken, wordt dit voor de oudere jeugd (vanaf 13 jaar) niet meer realistisch geacht.
Relatie ZAT’s en passend onderwijs
Met passend onderwijs willen we bereiken dat elk kind en elke jongere een passende plek in het onderwijs krijgt. Randvoorwaarde voor een passende plek in het onderwijs voor kinderen en jongeren met een beperking is vaak ook een goede ondersteuning van het gezin door de geïndiceerde zorg. In ZAT’s kunnen de betrokken professionals met elkaar werken aan de voorbereiding van een geïntegreerd indicatie-traject voor zowel ‘passend’ onderwijs als passende zorg. Zo zien we dat op verschillende plaatsen mooie initiatieven ontstaan waar gemeenten en schoolbesturen goed functionerende ZAT’s, CJG’s en ‘integraal indiceren’ gezamenlijk uitwerken en ervoor zorgen dat een passend onderwijs- en zorgaan bod voor elk kind en jongere ontstaat. In de brief aan de Kamer over de voortgang van Passend onderwijs (juni 2008 ) wordt onder andere ingegaan op de stand van zaken van de experimenten Passend onderwijs. Hierin is ook beschreven staan op welke wijze ZAT’s binnen het experiment Passend onderwijs worden meegenomen.
Landelijk steunpunt voor ZAT’s
De bewindslieden hebben er vertrouwen in dat gemeenten, schoolbesturen en hun partners heel goed in staat zijn om sluitende afspraken over snelle en passende hulp voor elkaar te krijgen in 2011. Het proces om tot sluitende afspraken met een veelheid van partijen en organisaties te komen kan taai zijn. Het duurt soms jaren voordat de neuzen van alle bestuurders van de verschillende disciplines dezelfde kant op staan wat betreft de samenwerkingsafspraken.
Daarom willen de bewindslieden, waar nodig, gemeenten, schoolbesturen en andere organisaties helpen om deze afspraken te maken. Zij kunnen op basis van hun eigen vraag of behoefte ondersteuning krijgen bij het landelijke steunpunt voor ZAT’s. Ze willen geen blauwdrukken voor samenwerking vanuit het Rijk of ondersteuning opdringen als die niet nodig is, maar wel een centraal punt voor ondersteuning bieden. Het steunpunt wordt ingericht bij het Nederlands Jeugdinstituut en komt in de plaats van de huidige ondersteuningsprogramma’s voor ZAT’s, die per onderwijssector verschillen.
Ook professionals uit de ZAT’s moeten op de ondersteuning van het landelijke steunpunt kunnen gaan rekenen. Professionals die samenwerken in ZAT’s moeten desgewenst bij het steunpunt terecht kunnen voor tips en handreikingen bij het multidisciplinair werken. Het kwaliteitstraject IKZ heeft hiervoor al een aantal praktische instrumenten ontwikkeld.
Via de website http://www.zat.nl zullen de producten voor alle professionals beschikbaar komen.
Wat als de samenwerking niet voor elkaar komt?
De bewindslieden gaan specifieke aandacht besteden aan de ondersteuning van locaties die (nog) niet over een ZAT beschikken of recent met de voorbereiding daarvan gestart zijn. Dit geldt met name voor het PO en MBO. Het komende jaar richt de aandacht van het landelijk steunpunt zich op de plaatsen in Nederland waar de samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg (nog) niet goed van de grond is gekomen. De regio’s de achterblijven kunnen we benoemen op grond van de huidige monitoren. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de ZAT-monitor voor het voortgezet onderwijs dat het aantal ZAT’s in de provincies Utrecht, Zeeland, Noord-Brabant en Friesland achterblijft ten opzichte van de rest van Nederland. Vooral in het MBO is nog een flinke slag te slaan in de effectiviteit van samenwerking tussen onderwijs, jeugdzorg en veiligheid, zo blijkt ook uit het IKZ-onderzoek. Samen met de Ministers van Wonen, wijken en integratie, van Volksgezondheid, welzijn en sport en de staatssecretaris van Sociale Zaken en werkgelegenheid zal men de komende tijd gaan bekijken of er extra acties nodig zijn om snelle en goede hulp voor jongeren in het MBO met problemen te kunnen garanderen.
Samenwerking opnemen in wetgeving
Om de wederkerigheid van het maken van sluitende afspraken onder regie van de gemeente te versterken gaan de bewindslieden de deelname van het onderwijs aan de samenwerking in de jeugdketen vastleggen in de onderwijswetgeving. Hiervoor gaat men onderzoeken:
- hoe de opdracht aan het onderwijs tot samenwerking in de jeugdketen wettelijk te verankeren zodat elk schoolbestuur ervoor zorgt dat elk van zijn scholen in een samenwerkingsrelatie staat met zorg buiten de school. Het betreft hier de onderwijswetgeving voor het primair, speciaal en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs;
- hoe de regierol van de gemeente bij de samenwerking richting het onderwijs goed geborgd kan worden en of het helpt om 'zorg in en om de school' als verplicht onderdeel van de Lokale Educatieve Agenda op te nemen;
- wat voor interventiemogelijkheden er richting instellingen mogelijk zijn om de samenwerking zonodig af te dwingen.
Graag werken de bewindslieden deze punten uit in samenwerking met schoolbesturen, gemeenten en hun vertegenwoordigende organisaties.